Autosomale chromosoomafwijkingen

07 maart, 2020
Laten we leren waarom bepaalde chromosoomafwijkingen voorkomen en welke ziekten deze aandoeningen veroorzaken.

Autosomale chromosoomafwijkingen komen vrij vaak voor en veroorzaken geboorteafwijkingen, omdat chromosomale informatie aanwezig is in elke cel van ons lichaam.

Elke arm van een chromosoom is verdeeld in 4 regio’s en binnen elke regio is elke band genummerd in relatie tot de afstand tot het midden. De korte arm wordt “p” genoemd en de lange arm wordt “q” genoemd. 1 q 23 geeft bijvoorbeeld het volgende aan: chromosoom 1, lange arm, tweede gebied, derde band.

Autosomale chromosoomafwijkingen leiden gewoonlijk tot de volgende handicaps:

  • Geestelijke en intellectuele beperkingen.
  • Aanwezigheid van dimorfe kenmerken en misvormingen.
  • Uitgestelde groei.

Classificatie van autosomale chromosoomafwijkingen

Er zijn twee soorten afwijkingen van de chromosomen: numerieke en structurele stoornissen.

1. Chromosomale aandoeningen: numerieke aandoeningen

De meest voorkomende oorzaak van numerieke stoornissen bij chromosomen is vaak non-disjunctie. Dit gebeurd als de chromosoomparen niet uiteen gaan in de eerste of tweede meiose divisies of tijdens de celdeling.

Het gevolg hiervan is dat de delen van het paar niet goed scheiden. In sommige gameten kunnen er dus te veel chromosomen zijn of ontbreekt er misschien een deel.

  • Trisomie: Wanneer een geslachtscel (of gameet) met een extra chromosoom zich tijdens de bevruchting bij een normale cel voegt, heeft de resulterende zygote drie kopieën van dat specifieke chromosoom. Dit wordt dan trisomie genoemd.
  • Monosomie: Wanneer een geslachtscel die een bepaald chromosoom mist, zich voegt bij een normale cel, laat dit slechts één streng van het paar over en produceert wat monosomie wordt genoemd.

De non-disjunctie kan zich ook voordoen tijdens de kerndeling (of mitose), dus na de eerste twee meiose fasen en de vorming van de zygote. Dit veroorzaakt dan dat de baby wordt geboren met cellen die een mix zijn van trisomisch en normaal, of monosomisch en normaal.

Deze patiënten worden mozaïeken genoemd. Bovendien gebeurt dit soort abnormaliteit bijna altijd bij chromosoom X (de mozaïeken van andere chromosomen zijn meestal niet levensvatbaar).

X en y chromosomen

2. Afwijkingen in de structuur van een chromosoom

De afwijkingen die het meest voorkomen in de structuur van de chromosomen zijn deletie, duplicatie, inversie en translocatie.

  • Deletie. Het verlies van een deel van een chromosoom. Dit zorgt ervoor dat het getroffen chromosoom alle genetische informatie mist die is opgeslagen in het verloren fragment.
  • Duplicatie. De aanwezigheid van een extra stukje van chromosoom. Soms kan een verwijderd fragment zich aansluiten bij het uiteinde van een gelijke chromosoom. Deze afwijking is veel minder schadelijk dan verwijdering.
  • Inversie. Dit is een fragmentatie van een chromosoom als gevolg van twee breuken. Dan wordt het gevolgd door hechting aan hetzelfde chromosoom maar op een omgekeerde manier. Meestal zorgt dit soort verandering in de genen niet voor een abnormaal fenotype. Hoewel het wel gevolgen kan hebben voor de generatie die volgt als het omgekeerde chromosoom zich verenigt met een normaal chromosoom.
  • Translocatie. De overdracht van een deel van een chromosoom naar een ander niet-gelijke chromosoom. Soms zijn deze translocaties wederkerig.

Deze structurele afwijkingen vinden meestal plaats tijdens meoisis van een van de gameten (zowel aan de kant van de moeder als de vader).

Autosomale afwijkingen in de chromosomen

Nu zullen we de belangrijkste afwijkingen in de chromosomen hieronder toelichten:

Het Syndroom van Down

Down syndroom is de afwijking die het meest voorkomt en het meest bekend is (die elke 1 op de 700 geboorten treft). Het werd voor het eerst ontdekt en beschreven door Langdon Down in 1866.

Mensen met het syndroom van Down hebben 47 chromosomen, en dus een extra chromosoom 21.

Je kunt deze afwijking meestal herkennen op het moment van geboorte, of kort daarna vanwege de  typische kenmerken zoals:

  • Lage bloeddruk.
  • Verstandelijke handicap.
  • Brachycefalie (overmatige groei van het hoofd vanwege de te vroege sluiting van de coronale hechting).
  • Prominente tong.
  • Korte en dikke handen.
  • Hartafwijkingen in 35% van de gevallen.
  • Kleiner dan normaal.

Hoewel 95% van de gevallen van het Syndroom van Down het gevolg is van trisomie van chromosoom 21, heeft ongeveer 4% een translocatie van de lange arm van chromosoom 21 (naar chromosoom 13,14,15 of 22). Deze patiënten hebben 46 chromosomen, maar zijn uiterlijk niet te onderscheiden van die met trisomie 21.

De gemiddelde leeftijd van moeders die kinderen krijgen met het syndroom van Down is 34 jaar oud.
De mannelijke dragers hebben minder kans om een kind met de aandoening te krijgen dan vrouwen.

Meisje met downsyndroom

Trisomie 18 (syndroom E)

Dit syndroom gaat om chromosoom 18. Het betreft meerdere aangeboren afwijkingen en het is veel ernstiger dan het syndroom van Down (de meeste patiënten leven niet langer dan 6 maanden).

De meest voorkomende symptomen zijn:

  • Verstandelijk gehandicapt
  • Onvermogen om te groeien
  • Misvormde oren, handen en voeten.

Trisomie 13 (syndroom D) is zeldzaam onder de chromosoomafwijkingen

Het is zeldzamer dan het vorige syndroom, maar de afwijkingen zijn veel erger. Baby’s overleven de eerste levensmaand meestal niet.

Het veroorzaakt onder andere defecten in het zenuwstelsel, verstandelijke handicaps, gespleten gehemelte, hazenlip, huidafwijkingen, hartafwijkingen, en meer.

Cri-du-chat-syndroom

Dit komt door een gedeeltelijke monosomie van chromosoom 5 (de onderdrukking van een fragment van de korte arm).

Het veroorzaakt een aantal afwijkingen, waarvan de meest kenmerkend het huilen van het kind is. Het kind klinkt als een miauwende kat. Andere defecten zijn verstandelijke handicaps en microcefalie.

Monosomie 4

Dit komt door een ontbreken van de korte arm van chromosoom 4. Het wordt gekenmerkt door een laag geboortegewicht, een gebrek aan groei en ook een afwijkend uiterlijk in het gezicht.

Autosomale chromosoomafwijkingen: conclusies

Tot slot, artsen worstelen iedere dag om onze kennis over chromosoomafwijkingen die veel gezinnen en baby’s treffen, te helpen verbeteren. Gelukkig ontwikkelen ze steeds nieuwe manieren om deze aandoeningen vroegtijdig te detecteren.

Bovendien zijn behandelingen ook verbeterd, dus er zijn nu betere middelen voor preventie en betere zorg voor een kind die met deze aandoeningen worden geboren.

  • Artigas-Pallarés, J., Brun, C., & Gabau, E. (2001). Aspectos médicos y neuropsicológicos del síndrome X frágil. Rev Neurol2(1), 42-54.
  • De Michelena, M. Q., Arias, J., & Huamán, M. (2007). Diagnóstico prenatal de anomalías cromosómicas. Revista peruana de ginecologia y obstetricia53(3), 181-186.
  • García, M. M., Martínez, F. F., & Miranda, E. B. (2004, January). Repercusión clínica de las anomalías cromosómicas. In Anales de Pediatría (Vol. 61, No. 3, pp. 236-241). Elsevier Doyma.
  • Guitart-Feliubadaló, M., Brunet-Vega, A., Villatoro-Gómez, S., Baena-Díez, N., & Gabau-Vila, E. (2006). Causas cromosómicas que originan el retraso mental: alteraciones cromosómicas diagnosticables en el paciente. Rev Neurol42(Supl 1), S21-S26.